Als aan Jari Vlierman en Matthijs Kamphuis wordt gevraagd hoeveel mensen in de zaal ze eigenlijk kennen, hoeven ze daar niet lang over na te denken. Tachtig procent, schatten ze allebei. Niet altijd bij de voornaam, maar de achternaam kennen ze meestal wel. Dat zegt meteen veel. Ook voor deze twee jonge mannen is het gesprek geen interview op afstand, maar een thuiswedstrijd.
Ze horen bij Vilsteren, daar bestaat weinig twijfel over. Jari woont midden in het dorp, aan de Gravendijk, “de hoofdstraat, zeg maar., grapt hij” Hij zat op de basisschool in Vilsteren, deed van jongs af aan mee bij de voetbal en het carnaval, en zit nu in het bestuur van jongerenvereniging Jong Leven Vilsteren (Jolevi). Dan mag je jezelf volgens hem wel aardig Vilsterenaar noemen. Zijn wortels liggen hier ook. Zijn ouders komen uit de omgeving en de familie zit al generaties in deze streek.
Bij Matthijs ligt dat net iets anders, maar uiteindelijk toch ook weer niet. Hij woont iets buiten het centrum, richting Hessum, wat bijna “Vilsteren-Zuid” genoemd zou kunnen worden. Zijn vader heeft zijn wortels in Vilsteren, zijn oma ook. Sterker nog: het huis waar Matthijs nu woont, is de plek waar die familiegeschiedenis zit. “De cirkel is weer rond,” zegt hij. Zijn moeder kwam van verder weg, uit Rotterdam, maar is in Vilsteren opgenomen. Zo werkt dat hier blijkbaar: mensen komen van elders, maar als ze hier wortel schieten, worden ze onderdeel van het geheel.
Jari en Matthijs kennen elkaar al hun hele leven. Acht jaar zaten ze samen in de klas, eigenlijk vanaf het moment dat ze konden praten. Jari grapt dat zijn eerste woordje nog net niet “Matthijs” was. Op de basisschool zaten ze met kleine groepen. Negen kinderen in een klas, soms zeven, soms dertien, soms nog minder. Dat soort aantallen maakt dat iedereen elkaar kent en dat je elkaar ook niet zomaar kwijtraakt. Dat blijkt ook later. Van hun klasgenoten gingen sommigen studeren, sommigen werkten elders, sommigen woonden een tijd in Hoofddorp of Duitsland, maar opvallend veel kwamen terug. Of in elk geval dichtbij. Ommen, Dalfsen, de streek rondom het dorp. De eerste WhatsApp-groep die ze ooit met elkaar maakten, bestaat nog steeds. Het contact is nooit echt verbroken.
Dat is misschien wel kenmerkend voor Vilsteren: ook als de lijnen langer worden, blijven ze verbonden.
De levens van Jari en Matthijs laten zien dat het dorp niet stilstaat. Beiden dachten ooit iets heel anders te gaan doen dan wat ze nu doen. Jari koos op school voor techniek en dacht eerst richting automonteur te gaan. Dat leek hem wel wat, totdat hij er echt mee bezig was. Toen ontdekte hij dat het niets voor hem was. Daarna deed hij nog een sportopleiding, maar ook daarin ging hij uiteindelijk niet verder. Nu werkt hij in de jeugdzorg, op een zorgboerderij, met kinderen die op school uitvallen door gedragsproblemen. Daar verzorgt hij met hen onder meer paarden, biedt hij een stukje educatie en kijkt hij vooral naar wat er wél mogelijk is. Zijn werk is totaal anders dan hij ooit dacht, maar het past hem goed. “Donders mooi,” noemt hij het zelf. Dat blijkt voor hem vooral te betekenen: plezier in je werk hebben, met mensen werken, iets kunnen betekenen.
Matthijs bewandelde iets directer de route waarvan hij als jongen al dacht dat het zijn kant op zou gaan. Hij wilde tekenaar worden en is die kant ook opgegaan. Via de HTS kwam hij terecht bij een machinebouwer in Heino, waar hij werkt aan machines voor de bandenindustrie. Zijn ontwerpen gaan de hele wereld over, zegt hij, hij zelf nog niet, maar dat zal misschien nog wel eens komen. Ook in zijn werk stopt hij veel van zichzelf: enthousiasme, plezier in techniek, maar ook het contact met mensen.
Toch is werk voor geen van beiden het hele verhaal. Minstens zo belangrijk is wat ze in en voor Vilsteren doen. Beiden zijn actief in JOLEVI, de jongerenvereniging van het dorp. De naam staat voor “jongeren leefbaar Vilsteren”, en eigenlijk zegt dat precies waar het om draait. JOLEVI organiseert van alles: een vrijdagavondactiviteit, een keer bowlen, een volleybaltoernooi met Pinksteren, en nog veel meer. Het is een vereniging waarin jeugd en jongvolwassenen elkaar vinden en samen het dorp levend houden. Vanaf een jaar of zestien rol je er bijna vanzelf in, vertellen ze. Niet omdat het moet, maar omdat het leuker is als je meedoet. Dan hoor je direct bij een groep. Dan draag je samen iets.
En dat samen iets dragen, dat blijkt in Vilsteren cruciaal te zijn.
Jari zegt dat veel van wat zij nu doen, er al was toen zij jong waren. De activiteiten, de feesten, de evenementen: ze werden al georganiseerd voordat zij erbij kwamen. Voor hen voelt het bijna vanzelfsprekend dat je dat dan ook weer voortzet. Het zit er “een beetje met de paplepel ingegoten” in. Neem de zeskamp, een evenement waar de oudere generaties nog altijd met glans in de ogen over vertellen. Die was een paar jaar verdwenen, maar juist door al die verhalen dachten zij: dat moet terugkomen. Niet uit nostalgie alleen, maar omdat zulke dingen het dorp maken tot wat het is. Dus zetten ze nu stappen om die zeskamp opnieuw op te bouwen. Om iets van vroeger weer in deze tijd te laten leven.
Daarin zit iets bijzonders. De jeugd in Vilsteren neemt niet simpelweg over wat er al was, maar houdt het levend door het opnieuw eigen te maken.
Dat wordt in de zaal ook nadrukkelijk benoemd. Verschillende aanwezigen roemen de jongeren om wat ze oppakken. Niet alleen het carnaval, maar ook het paasvuur, de kerstwandeltocht en andere dorpsactiviteiten. Een oudere aanwezige vertelt hoe de kerstwandeltocht al dertig jaar bestaat en hoe hij ziet dat het nu juist weer de jonge generatie is die het oppakt en ermee doorgaat. “Dat vind ik heel positief,” zegt hij. En hij krijgt bijval. Wat vroeger begonnen is door oudere generaties, wordt nu voortgezet door jongeren die er hun eigen energie aan geven.
Die waardering komt niet uit beleefdheid, maar uit bewondering. Want waar elders vaak wordt geklaagd dat jongeren afhaken, is in Vilsteren het tegenovergestelde zichtbaar. Hier zijn het juist de jongeren die de tent opzetten, die opruimen, die besturen, organiseren en trekken.
Het carnaval is misschien wel het duidelijkste voorbeeld. Voor buitenstaanders is het bijna niet te bevatten: een dorp met iets meer dan driehonderd inwoners, en dan een carnavalsfeest waar op vrijdag en zaterdag duizenden mensen op afkomen. De vereniging van de Piepplassers telt zo’n 130 leden, en op de grote avonden zit de tent met 2000 bezoekers in een mum van tijd vol. Mensen komen uit de hele regio, soms met bussen tegelijk. Maar het opvallendste is misschien nog niet eens dat het lukt om zoveel publiek te trekken. Het opvallendste is hoe het dorp dat samen draagt.
Tijdens die dagen zie je overal bekenden terug: Frank achter de bar, Gerard met een walkietalkie, anderen achter de munten of in de organisatie. En na afloop? Dan wordt alles samen weer opgeruimd. Niet omdat mensen daartoe getrokken moeten worden, maar omdat ze het normaal vinden. Je bouwt het samen op, dus je ruimt het ook samen weer op. Dat is de logica van het dorp.
De jongeren staan daarin voorop, maar nooit los van de rest. Dat is misschien wel de kracht van Vilsteren: generaties leven hier niet langs elkaar heen, maar grijpen in elkaar. Jari en Matthijs luisteren tijdens de avond naar de verhalen van Gerard en Jos, van oudere Vilsteraars die vertellen over kerk, school, boerderij en verenigingsleven van vroeger. En wat hen dan opvalt, is niet zozeer hoe anders dat leven was, maar hoeveel herkenning erin zit. Natuurlijk gingen zij niet meer lopend naar de kerk door de sneeuw; zij gingen met de auto. Maar ook zij zaten in het koor, gingen naar scouting, deden mee aan dorpsactiviteiten. Het decor is veranderd, de kern niet.
Matthijs zegt het mooi: hij heeft niet hetzelfde leven geleid, maar wel een beetje dezelfde dingen gedaan. En dat typeert ook de identiteit van het dorp. Niet alles blijft zoals het was, maar veel keert in een andere vorm terug.
Ook hun verhouding tot het dialect zegt iets over die positie tussen vroeger en nu. Geen van beiden spreekt het heel uitgesproken, al kunnen ze het prima verstaan. Thuis werd redelijk Nederlands gesproken, omdat ouders vonden dat dat later handiger zou zijn. Maar zodra ze buiten het dorp komen, horen ze meteen dat ze toch een tongval hebben. In de stad zijn ze dan “een stel boeren”, terwijl dat hier juist meevalt. Ook dat is typisch voor jonge Sallanders: ze bewegen tussen twee werelden, maar blijven herkenbaar van hier.
En of ze ooit elders gaan wonen? Dat kan best. Ze zijn realistisch genoeg om te zien dat woningen in Vilsteren schaars zijn en dat veel leeftijdsgenoten uiteindelijk in Dalfsen, Ommen of elders in de buurt terechtkomen. Maar dat betekent nog niet dat de binding verdwijnt. Integendeel. Jari zegt dat hij, ook als hij straks buiten Vilsteren woont, gewoon verbonden blijft aan de voetbal, carnaval en JOLEVI. Matthijs ziet hetzelfde: de wereld is kleiner geworden, je bent zo weer in het dorp. En als het hier zo gezellig en levendig blijft, kom je er vanzelf voor terug.
Misschien zit daar wel iets wezenlijks in voor het verhaal van Salland.
Vilsteren leeft niet doordat alles hetzelfde blijft. Het leeft doordat nieuwe generaties zich ermee verbinden, het op hun manier voortzetten en er opnieuw leven in blazen. Niet door grootse woorden, maar door mee te doen. Door een tent op te zetten. Een zeskamp terug te brengen. Een kersttocht te dragen. Een paasvuur te bouwen. Een dorp bruisend te houden.
In de verhalen over Salland gaat het vaak over landschap, noaberschap en traditie. Maar in Vilsteren wordt iets zichtbaar dat minstens zo belangrijk is: een dorp blijft alleen een dorp als jongeren zich verantwoordelijk voelen voor het geheel.
En precies dat lijkt hier aan de hand.
Jari en Matthijs vertellen daar nuchter over, bijna terloops. Alsof het normaal is. Misschien is dat wel het meest Sallandse eraan. Dat je iets groots in stand houdt, zonder er groot over te doen.






