Let op: Dit verhaal is ook te beluisteren via de Podcast van het Verdrag van Salland.
Praten over humor is riskant. Vraag een cabaretier iets grappigs te vertellen en de kans is groot dat het juist niet grappig wordt. Zoiets vrezen Bart de Haan en Stefan Klein Koerkamp ook als Lieke Kiekebosch hen voor het Verdrag van Salland vraagt wat Sallandse humor eigenlijk is. Stefan fietst de humor in allerlei uitingen rondom het Luttenbergsfeest, Bart tekent voor de grappen rondom het Broeklanderfeest.
Want bestaat die eigenlijk wel?
Bart en Stefan twijfelen. Wat in Salland grappig is, kan in Twente of de Achterhoek net zo goed grappig zijn. Humor is persoonlijk en afhankelijk van degene die de grap ontvangt. Maar gaandeweg komt er toch iets boven drijven: misschien zit het Sallandse niet eens zozeer in wát er grappig gevonden wordt, maar vooral in hoe mensen met een grap omgaan.
In Salland, is de indruk, kan nogal wat.
Het mag een beetje schuren
Daar hoort bij dat een grap soms over het randje mag gaan. Sterker: zonder randje wordt het al gauw saai.
De Haan vertelt hoe hij voor de Top 700 in Luttenberg wetenswaardigheden bij muzieknummers schreef. Toen voor de zoveelste keer Herman Brood langskwam, schreef hij dat Brood was overleden na een ‘mislukt zwaartekrachtexperiment’. Iemand vond dat niet grappig en liet dat ook weten.
“En gelijk dat die heeft!” Even later kun je samen gewoon weer een drankje drinken. Je mag iets te ver gaan, iemand anders mag zeggen dat hij het niet leuk vindt en daarna hoeft er niet onmiddellijk een maatschappelijke loopgravenoorlog uit te breken.
Stefan Klein Koerkamp heeft zelf ook zo’n grens opgezocht. Tijdens de coronaperiode verzorgde een groep Luttenbergers uitzendingen vanuit het dorpshuis. Die waren ook via de kerktelefoon te volgen. Midden in een live-uitzending bedacht Klein Koerkamp dat er vermoedelijk nog nooit op de Luttenbergse kerktelefoon gevloekt was. Dus vloekte hij. Hard ook. Om zich vervolgens uit te roepen tot de eerste Luttenberger die dat ooit op de kerktelefoon had gedaan.
De reacties waren ongeveer fiftyfifty. “Mijn moeder kon er nog wel om lachen, maar vroeg zich ook af: was dat nou nodig, jongen?” Nee. Natuurlijk was het niet nodig. Maar de grap werkte doordat dit eigenlijk niet hoorde. “Het mag wel een beetje schuren.”
Foi, foi, foi
Misschien is dát wel Sallands: de reactie ná de grap. In het vrijzinnig katholieke Luttenberg krijg je na zo’n actie niet onmiddellijk pek en veren. Eerder iets in de trant van: foi, foi, foi, wat bin ie toch wear an de gang. En ondertussen wordt er ook gelachen. Dezelfde grap kan elders veel harder aankomen. Humor is universeel, maar de omgeving waarin een grap landt is dat niet. Dat verschil ziet De Haan zelfs op de tribune bij Go Ahead Eagles. Hij staat daar met een Sallands vriendengroepje tussen Deventenaren. Gaat een scheidsrechter de mist in, dan kunnen om hen heen de verwensingen door het stadion vliegen. De Sallanders reageren anders. Die pakken hooguit hun leesbril en bieden die aan de scheidsrechter aan. Zelfde ergernis, andere verpakking.
De kunst van het niet te belangrijk zijn
Sallanders lijken zich minder nadrukkelijk als Sallander te presenteren dan bijvoorbeeld Tukkers of Achterhoekers. Daar hangen de vlaggen, daar wordt de regionale identiteit nadrukkelijk uitgedragen. De Sallander is wat terughoudender. De Sallandse vlag past daar wel bij: wat minder sprekende kleuren. Heeft Salland eindelijk een eigen vlag, kunnen de Sallanders er allemaal eentje kopen, hangt die overal in de kast…
Maar onderschat die bescheidenheid niet. Klein Koerkamp formuleert het prachtig wanneer het over festival Lil’Hill gaat. De toon daar zit volgens hem ergens tussen: we zijn ook maar eenvoudige boerenlullen en we hebben heus wel door hoe de wereld in elkaar zit. Eenvoudig misschien. Achterlijk bepaald niet. In dat gebied kan veel humor ontstaan.
Een molshoop op kunstgras
Sallandse humor speelt zich bovendien graag af tussen dorpen die elkaar met groot enthousiasme bestrijden terwijl ze voor een buitenstaander verdacht veel op elkaar lijken. Luttenberg tegenover Mariënheem bijvoorbeeld.
Toen Luttenberg een kunstgrasveld kreeg en Mariënheem niet, trokken Mariënhemers ‘s nachts naar het nieuwe veld. De volgende ochtend troffen de Luttenbergers overal molshopen aan, voorzien van Mariënheemse vlaggetjes. De grap werkt juist omdat de rivaliteit serieus én volkomen betrekkelijk is. Vanaf enige afstand bekeken zijn het, zoals De Haan zegt, mensen die uit ongeveer hetzelfde hout gesneden zijn.
Niet vergaderen. Doen.
Ook belangrijk: een grap moet niet alleen bedacht worden. Iemand moet hem ook uitvoeren. De Haan groeide op in Broekland, waar zijn vriendengroep daar behoorlijk bedreven in was. Was er op het dorpsfeest te weinig te beleven? Dan kon je natuurlijk klagen over het programma. Je kon ook zelf iets verzinnen.
Zo ontstond ooit een stuntteam met de weinig bescheiden naam The Flying Hosenländer From Hell. Brommers werden verzameld, leren jassen aangetrokken, helmen gemaakt. Er was één groepslid dat daadwerkelijk vuur kon spuwen. De rest bestond vooral uit wat De Haan achteraf omschrijft als ‘stuntsuggestie’. Met veel bombarie werd bijvoorbeeld de indruk gewekt dat een brommerrijder over een rij vrijwilligers zou springen. Uiteraard gebeurde dat niet. Vlak achter de schans lag een eigen stuntman in een dikke leren jas. Dáár reden ze overheen. Niet aangekondigd. Niet geprogrammeerd. Gewoon ineens doen. Zodra zo’n grap een vast programmaonderdeel wordt, verdwijnt een deel van de lol.
Met veertig man hooien
Het mooiste voorbeeld daarvan begint op een lome feestmiddag in de jaren negentig. De vriendengroep zit wat bier te drinken en ziet in de verte een boer hooibalen binnenhalen. Ze halen een platte wagen en trekken er met een man of veertig op uit. Bij iedere boer die aan het hooien is, springt de groep van de wagen. Onder begeleiding van muziek worden de balen in razend tempo opgeladen en op zolder gegooid. Daarna door naar de volgende. De boeren zijn zo blij met de onverwachte hulptroepen dat ze ‘s avonds naar de feesttent komen om bier aan te bieden.
Niemand had het bedacht als activiteit. Er was geen werkgroep ‘spontaan hooien’, geen draaiboek en geen evaluatieformulier. En precies daardoor werd een saaie middag een verhaal dat dertig jaar later nog verteld wordt.
Een grap moet je niet doodorganiseren
Daar zit volgens De Haan en Klein Koerkamp ook een gevaar. Zodra iets leuks het jaar erop opnieuw moet, verandert de grap in een traditie. En daarna misschien zelfs in een programmaonderdeel.
Een spontane foodfight tijdens de Stöppelhaene kan hilarisch zijn wanneer ineens makrelen en tomaten door de lucht vliegen. Maar kondig een jaar later om drie uur ‘s middags de jaarlijkse foodfight aan en de lol is eraf. En daarbij: eigenlijk kan zoiets ook totaal niet. Hetzelfde geldt voor een tak waarmee iemand spontaan een feesttent binnenkomt. De eerste keer is het prachtig. Als vervolgens ieder jaar op hetzelfde tijdstip iedereen het bos in rent omdat het nou eenmaal ‘traditie’ is, wordt het iets anders. “Je moet niet te lang blijven hangen in een grap.”
En dan is er gatgraven
Gatgraven. Het idee is op papier al absurd genoeg: zet mensen met een schop in een weiland en kijk wie binnen twintig minuten het diepste gat kan graven. Absurd? Deelnemers zien het als topsport! Ze bestuderen elkaars spades. Breed blad, smal blad, een speciaal opgelast randje om de voet beter te kunnen zetten. Ze monsteren elkaar als Formule 1-teams in de pitstraat. Ooit werd een gat van ruim drie meter diep gegraven. De graaftijd werd later om veiligheidsredenen teruggebracht van dertig naar twintig minuten. “Prachtig toch? Van buitenaf is het hele idee volkomen idioot; eenmaal begonnen is er niets grappigs meer aan. Dan moet er gewonnen worden.”
Hetzelfde geldt in Broekland voor de traditionele stoelendans. De Haan probeert die al bijna veertig jaar te winnen. Zijn vader won drie keer achter elkaar, waarna het feestcomité hem vriendelijk vroeg voortaan maar niet meer mee te doen. Dat familieverleden blijkt een vruchtbare voedingsbodem voor een lange carrière in stoelendansfraude. Stoelen verstoppen. Een paar rondes overslaan en je voor de scheidsrechter verbergen. Een eigen trommel meenemen om zelf het moment te bepalen waarop de muziek stopt. Zelfs een ploegentactiek naar voorbeeld van de Tour de France werd ingezet om een familielid in de ‘gele trui’ naar de overwinning te loodsen.
Maar ook hier geldt een ongeschreven regel: een goede truc gebruik je één keer. Volgend jaar verzin je maar wat nieuws. En ook belangrijk: het gaat om de lol van het vals spelen. Je hebt je recht om te winnen dan wel vergooid. Maar wel gelachen.
Waar ligt de grens?
Uiteindelijk komt het gesprek onvermijdelijk bij de vraag waar humor ophoudt.
Het antwoord van De Haan en Klein Koerkamp is minder eenvoudig dan ‘alles moet kunnen’. Zij leggen de grens vooral bij de ontvanger. Je kunt in principe overal humor in zien, maar het maakt nogal uit wanneer, waar en tegen wie je de grap maakt.
En tijden veranderen ook. De Haan erkent zonder omwegen dat er dingen zijn uitgehaald die hij in 2026 niet meer zou doen. Dat betekent niet dat hij achteraf ontkent dat er toen hard om gelachen is. Wel dat je met de kennis en gevoeligheden van nu andere keuzes kunt maken.
Misschien is humor daarom minder een verzameling regels dan een sociaal zintuig. Aanvoelen wat kan. Weten wanneer je te vroeg bent. Merken wanneer iemand werkelijk geraakt is. En ook accepteren dat iemand mag zeggen: deze vond ik niet grappig.
Misschien bestaat Sallandse humor dus toch
Aan het einde van het gesprek is er geen wetenschappelijke definitie van Sallandse humor. Gelukkig maar. Maar er is wel iets zichtbaar geworden.
Het zit in spontaniteit. In zelfspot. In het vermogen elkaar op de hak te nemen zonder dat iedere grap een conflict hoeft te worden. In iets bedenken en het vervolgens ook gewoon uitvoeren. In dorpen die elkaar plagen. In het bloedserieus uitvoeren van iets wat voor een buitenstaander volkomen absurd lijkt. En vooral in de ruimte die mensen elkaar geven.
De Sallandse ontvanger is misschien wel relatief gemoedelijk en verdraagzaam. Mensen van buiten mogen gewoon meedoen. Als je maar wel een beetje tegen een grap kunt en vooral jezelf niet te serieus neemt. En ja, soms zijn dat ook wel grappen, dat als je terugkijkt… dingen die nu echt niet meer kunnen. Of die eigenlijk toen ook al niet konden. Een oudere Sallander kijkt je dan aan, schudt langzaam zijn hoofd en zegt:
“Foi, foi, foi…”






